Advies Droge mond, 2017

ADVIES DROGE MOND

Ivoren Kruis, november 2017

Dit advies Droge mond is bedoeld voor tandartsen, mondhygiënisten en preventieassistenten die te maken krijgen met patiënten met een droge mond. Het advies bevat inhoudelijke aspecten aan de begeleiding van de patiënt met een droge mond, de voorlichting, preventie, en behandelingen die de zorgverlener(s) alleen met hulp van de patiënt kunnen verrichten. Het advies Droge mond is opgesteld door het Adviescollege Preventie Mond- en Tandziekten van het Ivoren Kruis.

1. INLEIDING

Bij een verminderde speekselsecretie treden problemen op bij spreken, kauwen en slikken. Daarnaast neemt de kans op het ontstaan van tandcariës, tandslijtage en infecties van de orale mucosa, bijvoorbeeld candidiasis, sterk toe. Bij ernstige monddroogheid kan een gave dentitie, indien geen adequate preventie wordt toegepast, binnen enkele maanden volledig te gronde gaan.

Speeksel bestaat grotendeels uit water (99,5%), eiwitten (glycoproteïnen en enzymen) mineralen en antimicrobiële stoffen. Het behoedt de lippen, mondhoeken, tong en het slijmvlies van de mond en keel tegen uitdroging en infectie. Speeksel beschermt de gebitselementen tegendemineralisatie en zorgt voor remineralisatie. Speeksel bevordert het spreken, kauwen, slikken en de spijsvertering en is belangrijk bij het proeven. Het speelt een rol bij de bloedstolling en de wondgenezing en houdt een prothese op zijn plaats (Van Amerongen, 2005).

Veel aandoeningen kunnen de oorzaak zijn van onvoldoende speeksel en een chronische droge mond. De voornaamste oorzaken zijn bijwerkingen van medicatie, psychische aandoeningen zoals angst of stress, (systeem)ziekten, zoals het syndroom van Sjögren en beschadiging bij bestraling van hoofd-halstumoren. Speekselsecretie kan hierdoor reversibel, maar ook irreversibel zijn verstoord. Omdat afgenomen speekselsecretie catastrofale gevolgen kan hebben voor het gebit, de monden algemene gezondheid en de ervaren kwaliteit van leven, is het de verantwoordelijkheid van de tandarts en mondhygiënist een droge mond tijdig te herkennen, liefst voordat de mondgezondheid verslechtert.
Tijdens het periodiek mondonderzoek (PMO) kan de mondzorgverlener eenvoudig nagegaan of een drogemondonderzoek is geïndiceerd. Bij het PMO actualiseert de mondzorgverlener onder meer de anamnese en het medicatieoverzicht, gevolgd door een extra- en intra-oraalonderzoek (Richtlijn PMO, 2007). ”Hierbij kunt u oorzaken, klachten en symptomen van een droge mond waarnemen.” Bij een patiënt met cariëactiviteit die het Basisadvies Cariëpreventie correct uitvoert (groep 4, rood) is het van belang na te gaan of er sprake is van een chronische droge mond (Advies Cariëpreventie, Ivoren Kruis, 2011). Een drogemondonderzoek bestaat uit onderzoek naar xerostomie, de speekselklierfunctie en voedingsgewoonten.

Bij speekselklierfunctieonderzoek worden secretiesnelheid, zuurgraad en viscositeit van het ongestimuleerde, kauwgestimuleerde en eventueel zuurgestimuleerde totaalspeeksel gemeten. Dit is van belang voor het vaststellen van de ernst en de mogelijke oorzaak van hyposialie.Speekselklieronderzoek is verder van belang voor de begeleiding en behandeling van een patiënt met een droge mond. Doel is met de juiste maatregelen een droge mond te verlichten en de mondgezondheid inclusief de gezondheid van het mondslijmvlies te bevorderen. Het is van belang alle bevindingen en afspraken zorgvuldig vast te leggen.

2. SPEEKSEL EN SPEEKSELKLIEREN

Er zijn drie paar grote speekselklieren. De linker en rechter glandula (klier) parotis, de linker en

rechter glandula submandibularis en de linker en rechter glandula sublingualis (afb. 2.1). Verder zijn er vier- tot zevenhonderd kleine slijmklieren in het mondslijmvlies van de lip, tong, wang, mondbodem, verhemelte en keel (glandulae mucosae) (afb. 2.2). Samen nemen deze ongeveer zeven tot acht procent van het totaalspeeksel voor hun rekening. De speekselsecretie heeft een dag- en nachtritme. Tijdens de slaap staat de speekselsecretie bijna stil. Er is veel inter- en intra-individuele variatie in de hoeveelheid speekselafscheiding. In rust wordt normaal 0,3-0,4 ml/min afgescheiden en bij stimulatie 1,5-2,0 ml/min. Dat resulteert in gemiddeld 500-600 ml speeksel per dag (afb. 2.3 en 2.4).



1. oorspeekselklier (glandula parotis)

2. onderkaakspeekselklier (glandula submandibularis)

3. ondertongspeekselklier (glandula sublingualis)

Afbeelding 2.1 De ligging van de drie grote speekselklieren van de mens